Zilveren tabakspot van het Amsterdamse Chirurgijnsgilde, 1761

collectie_KA_22098
Nicolaas van Diemen (ca. 1712- vóór 7-4-1789)

Tabakspotten behoorden in de achttiende eeuw tot de reguliere productie van menige Amsterdamse zilversmid.
Ze werden in alle toen heersende modestijlen vervaardigd. Het belang van de nu verworven tabakspot van Nicolaas van Diemen is niet in de eerste plaats gelegen in de artistieke kwaliteit van vorm of decoratie, maar veeleer in de contemporaine gelegenheidsgravering en de daarmee samenhangende herkomst van het Amsterdamse Collegium Chirurgicum.
Rondom de buik is een gegraveerde tekst aangebracht, die het afscheid memoreert van professor Petrus Camper (1722-1789) – hoogleraar in de anatomie en chirurgie te Amsterdam, adjunct-chirurgijn van de justitie en hoogleraar in de geneeskunde – als praelector van het Amsterdamse Chirurgijnsgilde, een ambt dat hij vanaf 1755 bekleedde. In 1761 verruilde Camper Amsterdam voor Franeker, dat toen een bloeiende universiteitsstad was, en Groningen.

Het Amsterdams Historisch Museum bezit een omvangrijke en in de wereld unieke verzameling schilderijen die heeft toebehoord aan het Chirurgijnsgilde. Hieronder bevinden zich beroemde doeken als Rembrandts Anatomische les van dr. Deijman en de Anatomische les van dr. Willem Röell door Cornelis Troost. In 1758 schilderde Tibout Regters de Anatomische les van prof. Petrus Camper, het laatste anatomiestuk dat voor het gilde is vervaardigd. Regters’ schilderij en de tabakspot van Nicolaas van Diemen staan in direct verband met elkaar. Op het ruim drie meter brede schilderij staat de beroemde praelector rechts van de tafel. Voor en achter de tafel zijn de in 1758 in functie zijnde overlieden van het Chirurgijnsgilde weergegeven, van links naar rechts: Coenraad Nelson, Abraham Richard, Pieter Jas, Joannes Stijger, Loth Lothz. en Nicolaas van der Meulen. Uiterst links staat Gerrit van der Weert, de knecht van het gilde. Behalve de naam van Camper komen de namen van vijf van deze zes overlieden ook op de tabakspot voor.
Inv.nr. KA 22098

 

Model van een scheepskameel met een Amsterdamse Oostindiëvaarder, ca. 1742

collectie_KB_1360

In maart 1742 besloten de Heren XVII, de hoofddirectie van de VOC, tot de bouw van nieuwe scheepstypen. Het grootste type Oostindiëvaarder van 145 voet werd vergroot tot 150 voet tussen de stevens (1 Amsterdamse voet = 0,283 meter). De twee andere scheepstypen waren schepen met een lengte van 136 en 120 voet. De verbeterde scheepstypen waren slanker en lichter dan hun voorgangers en de laadruimten werden aanzienlijk vergroot. Van groot belang was dat deze schepen, in tegenstelling tot eerdere scheepstypen, op instructietekeningen en in constructiemodellen werden uitgewerkt. De Engelse scheepsbouwer Charles Bentam - meester scheepstimmerman bij de Amsterdamse Admiraliteit - kreeg opdracht voor alle kamers van de VOC modellen en ontwerptekeningen te maken. Hiermee beoogde de VOC-directie de Compagniesscheepsbouw te standaardiseren. Van deze modellen is er één van het type van 150 voet en één van het type van 120 voet bewaard in de collectie van het Rijksmuseum. De haven van Amsterdam was voor diepliggende schepen moeilijk bereikbaar. Zandbanken in de Zuiderzee en de ondiepte Pampus in de monding van het IJ, waren hindernissen voor de scheepvaart. Daarom maakte men onder de waterlinie grote kisten aan de schepen vast, waar water in gepompt kon worden. Door de kisten leeg te pompen, kwam een schip hoger op het water te liggen en kon men het veilig door het IJ en de Zuiderzee loodsen. Omstreeks 1690 werd deze methode verbeterd. De kisten werden vervangen door scheepskamelen. Dit waren twee lange caissons, die de romp van het schip omsloten. Door de caissons te vullen met water zakten deze. Werden de scheepskamelen leeggepompt, dan werd het schip opgetild. Kleine schepen trokken het geheel vervolgens door het IJ en de Zuiderzee. Dit model van een scheepskameel is door Charles Bentam speciaal gemaakt voor zijn nieuwe ontwerp van een retourschip van 150 voet.
Bruikleen Rijksmuseum, Amsterdam
Inv.nr. KB 1360

 

Plantage van Jonas Witsen aan de Surinamerivier, begin 18de eeuw

collectie_SA_35413
Dirk Valkenburg (1675-1721)

Veel Amsterdamse kooplieden in de 18de eeuw bezaten plantages in Suriname, gelegen in het noordelijk deel van Zuid-Amerika. Jonas Witsen was zelf nooit ter plaatse geweest, maar hij kreeg een beeld van West-Indië door prenten en schilderijen. Zo nam hij de schilder Dirk Valkenburg in dienst als schrijver en boekhouder, die zich tevens contractueel verplichtte schilderijen van de natuur en het leven in Suriname te maken.
Klik hier voor informatie over dit schilderij in de schilderijencatalogus

 

Kelkglas met gedicht Jan Luyken, tweede kwart 18de eeuw

collectie_KA_22022

De gegraveerde versiering van het glas oogt weinig spectaculair maar is toch heel bijzonder. Rond de kelk is spiraalsgewijs het vers ´De Glasblaaser´ van de Amsterdamse tekenaar en graveur Jan Luyken (1649-1712) geschreven. Op de foto ziet u een prent van Jan Luyken met het gedicht. De beginregels van het gedicht luiden:

´Behaag´lyk vat, krystalle glas,
Doorluchtig, of ´t geen Lichaam was (…)´,

De onbekende glasgraveur, wiens naam mogelijk met de letter ´K´ op de onderkant van de voet is aangeduid, heeft de regels met een harde diamantstift op het ragfijne glas aangebracht. Dat heeft hij heel precies gedaan, want te oordelen naar het gebruikte lettertype heeft hij waarschijnlijk de eerste druk van Luykens ´Het Menselyk Bedryf´ als voorbeeld gebruikt. In 1694 gaf Jan Luyken de publicatie samen met zijn zoon Casper (1672-1708) in eigen beheer uit. Het is een boek over menselijke bezigheden: ambachten en beroepen, waarin ook ´De Glasblaaser´ is opgenomen.

Behalve een benaming en een motto, voorzag Luyken, die een zeer vroom man was, elke prent van een kort, stichtelijk gedicht. De prenten waren bij verschijnen al populair en zij werden in de eeuwen die volgden vele malen gekopieerd en gereproduceerd.
Nog steeds behoren ze tot het bekendste Nederlandse cultuurgoed uit de 17de eeuw. Wie kent niet de afbeelding van de bakker of de boekdrukker op een koffiemok of een plastic tas? De graveur van dit 18de-eeuwse glas is anders te werk gegaan. Hij koos juist niet voor de afbeelding maar voor de tekst, die hier subtiel samenvalt met het broze karakter van het materiaal glas. Het Amsterdams Historisch Museum bezit de meest complete Luyken-verzameling ter wereld. Het glas is een welkome aanvulling op deze collectie.
Inv.nr. KA 22022